Je ogen lichten
Handen wijd omhoog
Mond kreet woorden vol verwarring
Tot begroeting
De poten van je stoel
Schrapen piepend marmoleum
In hun schuif naar achter
Al weken doe ik of het leuk is
Samen scheuren
Een draaicirkel van niks
Scherpe bochten
Een remweg
Haast zowat van nul
Sinds je hoofd niet meer vertrouwt
Op wat je benen kunnen
Maar ja, een rolstoel blijft een rolstoel
Zelfs als het nagelnieuwe chroom
Nog niet door dofheid is beroerd
En nu onaangekondigd
Strek je je
Tot je torso torent
Zonder dralen schuifel je
Overbrugt de eindeloze vlakte
Tot mij, daar aan de horizon
Zes meter verderop
Hoe jouw tot pulp gemalen brein
Zich tóch opricht
Alsof alles is zoals het was
Lazarus

Geef een reactie